Bereken gratis en direct de omtrek van een cirkel via de straal, diameter of oppervlakte. Vul één maat in en zie meteen de omtrek, diameter en straal.
De omtrek van een cirkel is de lengte van de cirkelrand: de afstand die je aflegt als je precies één keer om de cirkel heen loopt. Om die te berekenen heb je maar één maat nodig: de straal (r). De straal is de afstand van het middelpunt van de cirkel tot de rand. Twee andere maten kom je ook vaak tegen: de diameter (d), de afstand dwars door het middelpunt van rand tot rand (dus precies twee keer de straal), en de oppervlakte (A), de grootte van het vlak binnen de cirkelrand. Ken je één van deze drie, dan liggen de andere twee vast en kun je de omtrek uitrekenen.
De omtrek van een cirkel bereken je door de straal te vermenigvuldigen met 2 en met het getal π (pi, ongeveer 3,14159). In een formule schrijf je dat zo:
Voorbeeld: bij een straal van 5 wordt de omtrek 2 × π × 5 ≈ 31,42.
Ken je alleen de diameter? Dan is de formule zelfs nog korter. De diameter is twee keer de straal, dus 2 × r mag je vervangen door d:
Voorbeeld: bij een diameter van 10 is de omtrek π × 10 ≈ 31,42.
Ook uit de oppervlakte kun je de straal terugrekenen. De oppervlakte van een cirkel is namelijk π × r². Draai je die formule om, dan krijg je: r = √(A ÷ π). Die straal vul je daarna weer in bij omtrek = 2 × π × r.
Voorbeeld: bij een oppervlakte van 78,54 is de straal √(78,54 ÷ π) ≈ 5, en de omtrek dus 2 × π × 5 ≈ 31,42.
Het kan ook andersom: ken je de omtrek en wil je weten welke straal daarbij hoort? Deel dan de omtrek door 2 × π:
Voorbeeld: bij een omtrek van 31,42 is de straal 31,42 ÷ (2 × π) ≈ 5.
Kies eerst wat je van de cirkel weet: de straal, de diameter of de oppervlakte. Vul daarna die ene maat in en druk op "Bereken". De omtrek verschijnt direct in beeld, samen met de diameter en de straal van de cirkel. Werk je met een vaste eenheid zoals centimeters of meters, dan staat de omtrek in diezelfde eenheid: centimeters blijven centimeters, meters blijven meters. Alleen bij de oppervlakte werk je met de vierkante eenheid (cm² of m²). Alles wordt lokaal in je browser uitgerekend.
De omtrek van een cirkel is omtrek = 2 × π × r: je vermenigvuldigt de straal met 2 en met π (ongeveer 3,14159). Bij een straal van 3 is de omtrek dus 2 × π × 3 ≈ 18,85.
Pi is de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel, en die is voor elke cirkel hetzelfde: ongeveer 3,14159. Het is een getal met oneindig veel decimalen dat nooit in een patroon vervalt. Voor de meeste berekeningen is afronden op 3,14 prima; deze rekenmachine rekent met de volledige precisie van je browser.
Dan is de formule extra kort: omtrek = π × d. De diameter is namelijk precies twee keer de straal, dus 2 × r en d zijn hetzelfde getal. Bij een diameter van 10 is de omtrek dus π × 10 ≈ 31,42. Kies in de rekenmachine bij "Wat weet je van de cirkel?" simpelweg voor de diameter.
In dezelfde eenheid als de maat die je invult. Vul je de straal in centimeters in, dan is de omtrek ook in centimeters; meet je in meters, dan krijg je meters. De omtrek is immers gewoon een lengte, geen oppervlakte. Vul je de oppervlakte in, dan hoort die wél in de vierkante eenheid (cm² of m²) te staan.
Ja. Deel de omtrek door 2 × π: r = omtrek ÷ (2 × π). Bij een omtrek van 31,42 is de straal dus 31,42 ÷ 6,2832 ≈ 5. Wil je daarna ook de diameter weten, dan verdubbel je de straal.
De omtrek is de lengte van de rand van de cirkel: de afstand die je aflegt als je er één keer omheen loopt. De oppervlakte is de grootte van het vlak bínnen die rand. Ze hebben elk hun eigen formule: omtrek = 2 × π × r en oppervlakte = π × r². Wil je de oppervlakte uitrekenen, gebruik dan onze oppervlakte cirkel berekenen tool.