Koopkracht berekenen

Bereken gratis en direct of je koopkracht stijgt of daalt. Vul je oude inkomen, je inkomen nu en de inflatie in en zie wat je er echt op vooruitgaat.

?Kies of je met maandbedragen of met jaarbedragen rekent. Gebruik voor beide velden hetzelfde soort bedrag, dus twee keer netto of twee keer bruto.
?Wat je verdiende aan het begin van de periode die je wilt vergelijken, bijvoorbeeld vorig jaar of vijf jaar geleden.
?Wat je nu verdient, aan het einde van dezelfde periode. Krijg je nu evenveel als toen, vul dan hetzelfde bedrag in.
?Hoeveel de prijzen in die periode zijn gestegen. Vergelijk je twee opeenvolgende jaren, dan vul je het inflatiecijfer van dat jaar in. Vergelijk je meerdere jaren, dan reken je de jaren eerst met elkaar door; in de uitleg onder de tool staat hoe.

In 2025 was de inflatie in Nederland 3,3%. In de tabel verderop op deze pagina staan de cijfers van de afgelopen tien jaar.

Verplicht om te kunnen rekenen. Klik op een ? voor uitleg.

Deze calculator vergelijkt je inkomen met de prijsstijging die je zelf invult. Je persoonlijke koopkracht hangt ook af van zaken die hier niet in zitten, zoals veranderingen in belasting, toeslagen, je huur of je hypotheekrente. Ook stijgen niet alle prijzen even hard: wie veel geld kwijt is aan energie of boodschappen merkt inflatie anders dan iemand anders. Aan de uitkomst kunnen geen rechten worden ontleend.

Wat doet de koopkracht calculator?

Met deze gratis rekentool zie je of je er echt op vooruit bent gegaan. Je vult in wat je aan het begin verdiende, wat je nu verdient en hoeveel de prijzen in die tijd zijn gestegen. De tool vergelijkt die twee met elkaar en laat zien of je koopkracht is gestegen, gelijk gebleven of gedaald. Je ziet ook in euro's wat je had moeten verdienen om precies gelijk te blijven. Alles gebeurt lokaal in je browser: er wordt niets opgeslagen of verstuurd.

Waarvoor kun je deze tool gebruiken?

  • Kijken of je loonsverhoging genoeg is om de prijsstijgingen bij te houden
  • Uitrekenen hoeveel salaris je nodig hebt om er niet op achteruit te gaan
  • Je inkomen van nu vergelijken met dat van een paar jaar geleden
  • Een cao-voorstel of een aanbod van je werkgever beoordelen
  • Zien wat de hoge inflatie van 2022 met je portemonnee heeft gedaan
  • Voor school of studie oefenen met inflatie en reële groei

Wat is koopkracht?

Koopkracht is hoeveel je met je geld kunt kopen. Niet het bedrag op je rekening, maar wat dat bedrag waard is in spullen en diensten: boodschappen, huur, benzine, een avondje uit.

Je koopkracht verandert door twee dingen tegelijk. Je inkomen kan omhoog of omlaag gaan, en de prijzen in de winkel kunnen omhoog of omlaag gaan. Pas als je die twee naast elkaar legt, weet je of je er echt op vooruit bent gegaan.

Krijg je 3% meer salaris terwijl alles 5% duurder is geworden? Dan heb je meer geld, maar kun je er minder van kopen. Je koopkracht is dan gedaald, ook al staat er een hoger bedrag op je loonstrook. Economen noemen dit het verschil tussen nominaal (het bedrag zelf) en reëel (wat het bedrag waard is).

Hoe bereken je je koopkracht?

Je deelt je nieuwe inkomen door je oude inkomen, en je deelt dat door de prijsstijging. Wat overblijft is je verandering in koopkracht.

Verandering in koopkracht
koopkracht = (1 + loonstijging) ÷ (1 + inflatie) − 1
Vul loonstijging en inflatie in als kommagetal: 3,3% wordt 0,033.
Wat je nodig hebt om gelijk te blijven
nodig = oud inkomen × (1 + inflatie)
Verdien je meer dan dit bedrag, dan gaat je koopkracht omhoog.

Voorbeeld: stap voor stap

Stel: je verdiende € 2.500 netto per maand en je kreeg er 4% bij, dus je krijgt nu € 2.600. In dezelfde periode was de inflatie 3,3%.

  1. Reken je loonstijging uit. € 2.600 ÷ € 2.500 = 1,04. Je verdient dus 4% meer.
  2. Reken uit wat je nodig had. € 2.500 × 1,033 = € 2.582,50. Dat bedrag had je nodig om precies evenveel te kunnen kopen als eerst.
  3. Vergelijk. Je krijgt € 2.600 en je had € 2.582,50 nodig. Je houdt € 17,50 per maand over.
  4. Zet het om in een percentage. 1,04 ÷ 1,033 = 1,0068. Je koopkracht is dus met 0,7% gestegen.

Je gaat er dus wel op vooruit, maar veel minder dan de 4% op je loonstrook doet vermoeden. Van je loonsverhoging van 4% blijft na de inflatie nog 0,7% over.

Waarom je de percentages niet zomaar van elkaar mag aftrekken

Veel mensen rekenen: 4% loonstijging min 3,3% inflatie is 0,7% koopkracht. Dat komt in dit voorbeeld toevallig heel dicht in de buurt, en bij kleine percentages is aftrekken dan ook een prima schatting.

Bij grote percentages gaat het wel mis. Stel dat je 12% meer salaris kreeg in een jaar met 10% inflatie. Aftrekken geeft 2%, maar de echte uitkomst is 1,12 ÷ 1,10 = 1,018, dus 1,8%. Dat komt doordat de inflatie ook over je loonsverhoging heen gaat. Deze tool deelt daarom altijd, en niet aftrekt.

Inflatie in Nederland per jaar

Het CBS meet elke maand hoeveel de prijzen zijn gestegen ten opzichte van een jaar eerder. Dat cijfer heet de consumentenprijsindex, afgekort CPI. Dit zijn de jaarcijfers van de afgelopen tien jaar:

JaarInflatieWat er speelde
20150,6%Lage olieprijzen drukken de inflatie
20160,3%Laagste inflatie in jaren
20171,4%Economie trekt aan
20181,7%Btw op boodschappen gaat van 6% naar 9%
20192,6%Hogere prijzen voor huur en diensten
20201,3%Coronajaar: minder vraag, lagere prijzen
20212,7%Energie en grondstoffen worden duurder
202210,0%Energiecrisis: hoogste inflatie sinds 1975
20233,8%Energieprijzen zakken weer
20243,3%Vooral diensten en huren stijgen door
20253,3%Inflatie blijft boven het doel van 2%

De actuele cijfers publiceert het CBS elke maand op zijn dashboard over inflatie. Let op: het jaarcijfer is een gemiddelde over alle producten samen. Je eigen prijsstijging kan hoger of lager uitvallen, afhankelijk van waar jij je geld aan uitgeeft.

Meerdere jaren achter elkaar berekenen

Wil je een periode van meerdere jaren vergelijken, dan mag je de jaarpercentages niet bij elkaar optellen. De prijsstijging van het tweede jaar komt namelijk boven op de al gestegen prijzen van het eerste jaar. Je moet de jaren daarom met elkaar vermenigvuldigen.

Een voorbeeld voor 2022 tot en met 2024. Je maakt van elk percentage een vermenigvuldigfactor: 10,0% wordt 1,100, 3,8% wordt 1,038 en 3,3% wordt 1,033. Die vermenigvuldig je met elkaar: 1,100 × 1,038 × 1,033 = 1,179. De prijzen zijn in die drie jaar dus met 17,9% gestegen. Dat getal vul je in bij "Inflatie over dezelfde periode".

Had je alle drie de jaren gewoon opgeteld, dan was je op 17,1% uitgekomen. Dat scheelt bij een inkomen van € 2.500 per maand al zo'n € 20 per maand in wat je nodig had.

Wat bepaalt of je koopkracht stijgt of daalt?

Je loon en de inflatie zijn de twee grootste factoren, maar er spelen er meer mee. Deze zaken kunnen je koopkracht veranderen zonder dat je salaris verandert:

  • Belastingen. Als de tarieven of de heffingskortingen veranderen, houd je meer of minder netto over van hetzelfde brutoloon.
  • Toeslagen. Huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag lopen mee met je inkomen. Ga je meer verdienen, dan kan een toeslag omlaag gaan of helemaal wegvallen.
  • Je woonlasten. Een huurverhoging of een nieuwe hypotheekrente na een rentevaste periode kan flink aantikken.
  • Je eigen uitgavenpatroon. Wie een oude, slecht geïsoleerde woning heeft, merkte in 2022 veel meer van de energieprijzen dan gemiddeld.
  • Je persoonlijke situatie. Samenwonen, een kind krijgen, minder gaan werken of met pensioen gaan verandert je koopkracht vaak sterker dan de inflatie.

Wil je weten wat je bruto salaris netto oplevert? Gebruik dan de netto salaris calculator. Die houdt rekening met de belastingschijven en de heffingskortingen.

Bruto of netto invullen?

Allebei mag, zolang je maar twee keer hetzelfde soort bedrag invult. Vul je twee keer bruto in, dan zie je of je brutoloon de inflatie bijhoudt. Vul je twee keer netto in, dan zie je wat er echt in je portemonnee gebeurt. Dat laatste is meestal het interessantst, want daar zitten de veranderingen in belasting en heffingskortingen ook in.

Zo gebruik je deze rekenmachine

  1. Kies maand of jaar. Reken je met maandsalarissen of met jaarbedragen? Dat maakt voor het percentage niets uit, maar wel voor de bedragen in de tabel.
  2. Inkomen aan het begin. Vul in wat je verdiende aan het begin van de periode die je wilt vergelijken.
  3. Inkomen nu. Vul in wat je nu verdient.
  4. Inflatie. Vul het percentage in dat bij die periode hoort. Gebruik de tabel hierboven, of tel meerdere jaren door zoals hierboven uitgelegd.

De uitkomst verschijnt meteen. Bovenaan staat de verandering in je koopkracht als percentage, met daaronder een uitleg in gewone taal. In de vier vakjes daaronder zie je je loonstijging, de inflatie, het bedrag dat je nodig had om gelijk te blijven en het verschil per maand. De tabel eronder zet alles nog eens op een rij, per maand en per jaar.

Veelgestelde vragen

Dat je met je inkomen minder kunt kopen dan eerst. Je krijgt misschien wel meer geld, maar de prijzen zijn harder gestegen dan je inkomen. In de praktijk merk je dat doordat je aan het eind van de maand minder overhoudt, terwijl je hetzelfde blijft doen.

Precies evenveel procent als de inflatie. Was de inflatie 3,3%, dan heb je 3,3% meer loon nodig om net zoveel te kunnen kopen als eerst. Bij een netto inkomen van € 2.500 per maand komt dat neer op € 82,50 per maand erbij. Krijg je minder, dan ga je er in koopkracht op achteruit. In de tool staat dit bedrag bij "Nodig om gelijk te blijven".

Omdat de prijsstijging ook geldt over het extra geld dat je erbij krijgt. Bij kleine percentages is aftrekken een prima schatting: 4% min 3,3% geeft 0,7% en het echte antwoord is ook 0,7%. Bij grote percentages loopt het uit elkaar. Bij 12% loonstijging en 10% inflatie geeft aftrekken 2%, terwijl het echte antwoord 1,8% is. Deze tool deelt daarom altijd in plaats van af te trekken.

Je vermenigvuldigt de jaren met elkaar in plaats van ze op te tellen. Maak van elk percentage een factor door er 1 bij op te tellen: 10,0% wordt 1,100 en 3,8% wordt 1,038. Vermenigvuldig die factoren en trek er weer 1 vanaf. Voor 2022 tot en met 2024 wordt dat 1,100 keer 1,038 keer 1,033 = 1,179, dus 17,9% prijsstijging over die drie jaar.

Bij het CBS. Dat publiceert elke maand de consumentenprijsindex met de prijsstijging ten opzichte van een jaar eerder. In de tabel op deze pagina staan de jaarcijfers van de afgelopen tien jaar. In 2025 en 2024 was de inflatie 3,3%, in 2023 was dat 3,8% en in het uitschieterjaar 2022 zelfs 10,0%.

Dat mag je zelf weten, als je maar twee keer hetzelfde soort bedrag gebruikt. Netto invullen geeft het eerlijkste beeld van je portemonnee, want daar zitten de veranderingen in belasting en heffingskortingen ook in. Bruto invullen laat zien of je salaris zelf de inflatie bijhoudt.

Niet altijd. Het CBS meet een gemiddeld boodschappenmandje van alle Nederlanders samen. Jouw uitgaven zien er anders uit. Wie in een slecht geïsoleerd huis woont en veel rijdt, merkte in 2022 veel meer van de energieprijzen dan gemiddeld. Wie net een huurwoning betrok met een vaste huur, merkte er juist minder van. Het CBS-cijfer is een goede richtlijn, geen exacte maat voor jouw situatie.

Nominaal is het bedrag zoals het op je loonstrook of je bankrekening staat. Reëel is wat dat bedrag waard is nadat je de prijsstijging eraf hebt gehaald. Ga je van € 2.500 naar € 2.600 in een jaar met 3,3% inflatie, dan is je nominale stijging 4% en je reële stijging 0,7%. Die reële stijging is je koopkracht.

Ja, en op dezelfde manier. Staat je spaargeld op 2% rente terwijl de inflatie 3,3% is, dan wordt je spaargeld elk jaar iets minder waard. Je kunt de tool daarvoor gebruiken door je saldo van vorig jaar en je saldo van nu in te vullen. Denk daarbij ook aan de belasting die je over je vermogen betaalt.

Nee. De berekening draait volledig in je eigen browser. Je inkomen verlaat je apparaat niet en wordt nergens opgeslagen of verstuurd.